Mijn belang, zoals ik dat zie!

9 april 2015
Loes den Dulk

Het belang van de cliënt
In veel teksten over de zorg voor mensen met een beperking en in diverse functiebeschrijvingen lees ik dat het belang van de cliënt het uitgangspunt is. Een vanzelfsprekendheid zou je denken, dus een overbodige toevoeging.
Op de echte vraag die daarachter ligt, lees ik zelden een antwoord. De vraag is volgens mij namelijk wie dat belang formuleert: De ouders van de cliënt, de hulpverlener of de cliënt zelf? Want dat zou wel eens drie heel verschillende belangen op kunnen leveren.

Mijn belang gezien vanuit het perspectief van mijn ouders
Als de cliënt ondersteuning nodig heeft bij het maken van een keuze, is het logisch dat hij die ondersteuning krijgt van zijn ouders. Zoals ik in het verleden terecht kon bij mijn ouders. Mijn moeder kon goed met mij meedenken en me helpen alles op een rij te zetten. Maar ik ging niet altijd naar mijn moeder. Haar insteek was meestal richting de veilige keuze. Zij was degene die mij wilde beschermen, die bezorgd om mij was en die mij afraadde om risico’s te nemen. Zij heeft mij, waarschijnlijk meer dan ik zelf weet, beschermd tegen allerlei onheil en teleurstellingen. Maar juist door niet altijd te kiezen voor veiligheid, ben ik geworden wie ik ben. En dat proces, met de risico’s die daarbij horen, gun ik ook aan mensen met een verstandelijke beperking.

Wij weten wat goed voor jou is: bewegen
We zeggen het zo gemakkelijk, “het is in het belang van de cliënt”. Maar wie zijn wij om dat te zeggen? Wat vindt de cliënt er eigenlijk zelf van?
Pas zag ik in een beleidsplan van een zorgaanbieder twee speerpunten staan: eigen regie en meer bewegen. Maar zo in één adem genoemd leveren die twee speerpunten wel een spagaat op voor medewerkers. Het streven dat cliënten meer eigen regie over hun leven krijgen, betekent namelijk ook dat cliënten zelf bepalen of ze wel of niet meer gaan bewegen. Die twee doelen kunnen maar moeilijk samen gaan. Want als je streeft naar meer bewegen stimuleer je, adviseer je en oefen je een zekere druk uit op de cliënt om dat te bereiken. Daarmee geef je minder ruimte aan zijn eigen regie. Tenminste, dat is het grote risico van de combinatie. Eigen regie betekent dat je zelf bepaalt of je beweegt of niet. En natuurlijk is het goed om aandacht te hebben voor meer bewegen en kun je aantrekkelijke vormen van bewegen aanbieden. Maar de grens naar het bepalen voor de cliënt is gauw overtreden.

Niet sturende ondersteuning
Juist in het kader van de eigen regie moet de cliënt zelf kunnen kiezen of hij wel of niet meer gaat bewegen. De begeleider heeft daarbij de taak de cliënt te ondersteunen bij deze keuze door samen de informatie te bekijken en de voor- en de nadelen van de keuze te onderzoeken. Als de informatie helder is, dien je als begeleider een stap achteruit te doen en de keuze van de cliënt te respecteren.

De keuze kunnen overzien
Voorwaarde daarvoor is natuurlijk dat de cliënt in staat is de keuze te overzien. En daar zit misschien wel het grootste risico. We zijn al snel geneigd om te zeggen dat de cliënt die niet kiest voor bewegen, de keuze niet overziet en dus ‘wilsonbekwaam’ is. Dat geeft ons het recht en mogelijk zelfs de plicht om de keuze voor hem of haar te maken en te zorgen dat de cliënt meer beweging krijgt. Maar kiezen om niet te bewegen is een keuze die in de samenleving veel bijval krijgt. De programma’s om het bewegen te stimuleren beperken zich niet tot de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. En dat zou weer betekenen dat een groot deel van de Nederlandse bevolking voor deze keuze wilsonbekwaam zou zijn…..

Loes de Dulk

Mijn belang, zoals ik dat zie!

Het belang van de cliënt
In veel teksten over de zorg voor mensen met een beperking en in diverse functiebeschrijvingen lees ik dat het belang van de cliënt het uitgangspunt is. Een vanzelfsprekendheid zou je denken, dus een overbodige toevoeging.
Op de echte vraag die daarachter ligt, lees ik zelden een antwoord. De vraag is volgens mij namelijk wie dat belang formuleert: De ouders van de cliënt, de hulpverlener of de cliënt zelf? Want dat zou wel eens drie heel verschillende belangen op kunnen leveren.

Mijn belang gezien vanuit het perspectief van mijn ouders
Als de cliënt ondersteuning nodig heeft bij het maken van een keuze, is het logisch dat hij die ondersteuning krijgt van zijn ouders. Zoals ik in het verleden terecht kon bij mijn ouders. Mijn moeder kon goed met mij meedenken en me helpen alles op een rij te zetten. Maar ik ging niet altijd naar mijn moeder. Haar insteek was meestal richting de veilige keuze. Zij was degene die mij wilde beschermen, die bezorgd om mij was en die mij afraadde om risico’s te nemen. Zij heeft mij, waarschijnlijk meer dan ik zelf weet, beschermd tegen allerlei onheil en teleurstellingen. Maar juist door niet altijd te kiezen voor veiligheid, ben ik geworden wie ik ben. En dat proces, met de risico’s die daarbij horen, gun ik ook aan mensen met een verstandelijke beperking.

Wij weten wat goed voor jou is: bewegen
We zeggen het zo gemakkelijk, “het is in het belang van de cliënt”. Maar wie zijn wij om dat te zeggen? Wat vindt de cliënt er eigenlijk zelf van?
Pas zag ik in een beleidsplan van een zorgaanbieder twee speerpunten staan: eigen regie en meer bewegen. Maar zo in één adem genoemd leveren die twee speerpunten wel een spagaat op voor medewerkers. Het streven dat cliënten meer eigen regie over hun leven krijgen, betekent namelijk ook dat cliënten zelf bepalen of ze wel of niet meer gaan bewegen. Die twee doelen kunnen maar moeilijk samen gaan. Want als je streeft naar meer bewegen stimuleer je, adviseer je en oefen je een zekere druk uit op de cliënt om dat te bereiken. Daarmee geef je minder ruimte aan zijn eigen regie. Tenminste, dat is het grote risico van de combinatie. Eigen regie betekent dat je zelf bepaalt of je beweegt of niet. En natuurlijk is het goed om aandacht te hebben voor meer bewegen en kun je aantrekkelijke vormen van bewegen aanbieden. Maar de grens naar het bepalen voor de cliënt is gauw overtreden.

Niet sturende ondersteuning
Juist in het kader van de eigen regie moet de cliënt zelf kunnen kiezen of hij wel of niet meer gaat bewegen. De begeleider heeft daarbij de taak de cliënt te ondersteunen bij deze keuze door samen de informatie te bekijken en de voor- en de nadelen van de keuze te onderzoeken. Als de informatie helder is, dien je als begeleider een stap achteruit te doen en de keuze van de cliënt te respecteren.

De keuze kunnen overzien
Voorwaarde daarvoor is natuurlijk dat de cliënt in staat is de keuze te overzien. En daar zit misschien wel het grootste risico. We zijn al snel geneigd om te zeggen dat de cliënt die niet kiest voor bewegen, de keuze niet overziet en dus ‘wilsonbekwaam’ is. Dat geeft ons het recht en mogelijk zelfs de plicht om de keuze voor hem of haar te maken en te zorgen dat de cliënt meer beweging krijgt. Maar kiezen om niet te bewegen is een keuze die in de samenleving veel bijval krijgt. De programma’s om het bewegen te stimuleren beperken zich niet tot de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. En dat zou weer betekenen dat een groot deel van de Nederlandse bevolking voor deze keuze wilsonbekwaam zou zijn…..

Loes de Dulk

missie

Raad op Maat werkt voor en met iedereen die betrokken is bij zeggenschap en rechten van mensen met een beperking. Zo maken we cliënten sterker en bouwen we mee aan zorginstellingen waar cliënten echt tot hun recht komen. De stem van cliënten klinkt door in alles wat we doen.
closearrow-circle-o-downmap-markerenvelopemobileellipsis-v linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram